27-09-09Harry Kok - Universiteiten
U hebt het mogelijk ook gelezen dat de universiteiten veel te veel toeloop krijgen en dat al die extra studenten zoveel extra geld kosten dat de universiteiten het niet aankunnen en dus dringend extra geld nodig hebben (waar heb ik dat meer gehoord?).
Op zich zit er een logica in: in slechte economische tijden wordt er langer doorgestudeerd, dus die toeloop is wel te verklaren.
Dat de toegankelijkheid van de universiteit veel groter is dan in vroeger tijden is duidelijk. Vroeger, b.v. in de negentiende eeuw, was studeren alleen weggelegd voor de rijken of voor hen die een rijk familielid hadden. In de negentiende eeuw studeerden er maar weinigen in Nederland. In Utrecht telde men tussen 1845 en 1875 slechts drieduizend studenten terwijl vorig jaar er in Utrecht bijna dertigduizend studenten ingeschreven stonden.
Vroeger waren de studentengemeenschappen mannen-gemeenschappen, meisjes mochten niet studeren. Pas in 1871 kon Aletta Jacobs als eerste vrouw medicijnen gaan studeren aan de RUG de Rijks Universiteit Groningen. Ze moest nog toestemming van de minister (Thorbecke) hebben ook!
Studenten in de 19e eeuw hadden allemaal een hospita bij wie ze op kamers woonden. De hospita verzorgde de was terwijl op de sociëteit doorgaans werd gegeten. Er werd nogal op het eten gescholden ( een Leids student in 1849: “rot vleesch met aangebrande groenten en bedorven aardappelen”) mogelijk mede vandaar dat er des te meer drank was: de Leidse sociëteit schonk bier, wijn en jenever en zelfs champagne (eind negentiende eeuw). Vrouwelijk schoon werd buiten de universiteit gevonden in lokale meisjes of hoeren. Voor een meisje dat zwanger werd gemaakt, regelden vrienden van de betreffende student wel iets (geld of soms een pleeggezin voor de baby).
De studies waren wel zwaarder dan tegenwoordig, terwijl er gemiddeld toch maar 5 jaar over werd gedaan, een bewijs dat de meeste studenten wel hard studeerden. De universitair docenten, oftewel professoren stonden vroeger in veel hoger aanzien dan nu, met name binnen de universiteit zelf: vroeger moest iedereen opstaan als de professor de collegezaal binnenkwam. De professor was een absolute autoriteit, die je kon maken en breken als student.
Pas in de zestiger jaren, met name na de studentenprotesten met de Maagdenhuis-bezetting in Amsterdam versoepelden de verhoudingen en er waren hoogleraren die zich bij de voornaam lieten noemen.
De grote toename van de aantallen studenten heeft rechtstreeks te maken met de grote behoefte aan hoog opgeleid personeel na de 2e wereldoorlog. De regering trok in de vijftiger jaren veel meer geld uit voor hoger onderwijs en verbeterde de voorzieningen voor arme studenten van wie de ouders het collegegeld niet konden betalen maar die wel voldoende capaciteiten hadden. Studiebeurzen werden uitgebreid. Dit alles leidde tot een toename van dertigduizend studenten in 1955 naar meer dan honderdduizend in 1970. Inmiddels is het totaal al ruim 200.000.
Ook de meisjesstudenten namen fors in aantal toe. Van 15 % in 1950 tot 31 % in 1980 tot meer dan de helft anno nu!