03-09-09Harry Kok - Gerrit Odink
Gerrit Odink was een dichter, in het Achterhoeks. Hij leefde van 1916 tot 1978 in deze streek.
Het zich uiten was al vroeg een behoefte van Gerrit Odink. Eerst in het Nederlands en vanaf eind jaren dertig in het dialect. Zijn oom was Hendrik Odink de streekhistoricus die hem met schrijven in ’t plat op weg hielp. Gerrit’s eigen innerlijke drang was de drijvende kracht in zijn ontwikkeling, niet zozeer Ome Hendrik’s invloed.
Gerrit was ook op ander gebied creatief: hij had een heel behoorlijke baritonstem en ook kon hij goed tekenen. Grote invloed had de dichter Gerrit Achterberg die in Rekken verbleef in het kader van een terbeschikkingstelling. Odink heeft Achterberg meermaals ontmoet en had groot ontzag voor Achterberg. Ook na de oorlog toen Achterberg op de Honte onder Neede woonde hielden zij contact.
De beide Gerrits ontmoetten soms ook Henk Entjes, een neerlandicus en dialectoloog en professor aan de Groninger universiteit. Deze informatie staat in de Hölter, verzamelde gedichten van Gerrit Odink, in een nawoord van zijn zoon Wolter Odink.
Over een dichter moet je niet teveel praten maar je moet zijn gedichten lezen en doorgeven. Het lezen moet u zelf doen (de dichtbundel is een uitgave van de Historische Kring Eibergen uit 1999) maar het doorgeven, daar maak ik hier graag een begin mee.
Als eerste Raegen (regen) in het Kerkloobos (halverwege Rekken) waar ikzelf ook vaak kom en het zou best eens kunnen dat dat bos echt zingt……….. Het rondtasten in de mist en na het optrekken de harde werkelijkheid is een indrukwekkend gedicht waarmee ik deze column eindig.
Raegen
In 't Karkloo hunk een zeut gezang.
Van stof tot fienen raegen.
Dröppels riegt zich man an man
De tekskes beugt van ’t draegen,
Tötdat et zich duur den aoverlas
Dern helen trop lot scheten
En greuit ter onder weer ne plas
Van al dat dröppelend zweten.
Et zunk in’t Karkloo, heur dan toch!
Door is wat te beluustern,
De hoge dennen soest van ‘t voch
En larken staot te fluustern,
Nog veult de eken heel bedeesd
Noor al den tastbaorn zaegen
Moor ’t struukgewas dat rus van ’t feest
Den raegen, den raegen, den raegen.
Mist
Ik heb in ’n mist, in duustre dage,
Met weemood en een bang geveul
Ezoch, in’t niks, in ’t vage.
Ik mos, ik wól wat zeen
Met hoppe in’t harte evochten:
Ton ’k het endelijk had,
Waarn al miene fantasieën woorheid,
Akelig hard.